De Peerby Kabouter

Peerby herkennen jullie natuurlijk aan de vrolijke Peerby kabouter! Maar waar ó waar komt deze kabouter eigenlijk vandaan? We vroegen het jullie op Facebook, waar we hele leuke en originele antwoorden op kregen! Het échte verhaal is alleen niet geraden… die kan je hier lezen!

Facebook winnaar!

Op Facebook vroegen jullie om in de reacties te vertellen waarvan jij dacht dat de Peerby kabouter vandaan komt. Peerbylid Geert van der Sman kwam met een heel leuk verhaal!

Peerby is de achtste dwerg uit het sprookje van Sneeuwwitje. Kan niet anders: vijf van de zeven oorspronkelijke dwergen hebben ook namen eindigend op ‘y’. Peerby is de handige en behulpzame dwerg, hij helpt de prins Sneeuwwitje wakker te kussen.
Sneeuwwitje is dan natuurlijk de verzameling spullen die bij ons en onze buren ligt te slapen…

Gefeliciteerd Geert! Met jouw leuke verhaal win je een Peerby shirt! Benieuwd naar het echte verhaal? Lees snel verder!

In den beginne…

Het verhaal achter de Peerby kabouter heeft twee redenen. Voor de eerste reden gaan we een paar jaar terug, naar de toneelschool. Daan, de oprichter van Peerby, is namelijk niet alleen internetondernemer maar ook acteur! In het eerste jaar dat hij op de toneelschool zat moest hij een gedicht uit zijn hoofd leren. En dit was niet zomaar een gedicht.

In dit gedicht komen alle klanken van de Nederlandse taal voor. Waarom moest Daan dit uit zijn hoofd leren? Docenten willen graag weten hoe de studenten praten en of ze moeten werken aan bepaalde klanken. Door middel van dit gedicht komen ze daar achter. En je raad het misschien al… het gaat over kabouters!

De tweede reden is dat we de hulpzame kabouters uit het gedicht de wijk in sturen om aan te bellen bij de buren of ze misschien iets te leen hebben voor jou!

De kabouters

Wat was toch dat Keulen een prettige stad.
Toen ‘t vroeger de wakkre kabouters nog had!
Want, was men lui, men leefde lustig.
Of lei zich neer en droomde rustig;
Dan kwamen bij nacht.
Genood noch verwacht.
De ventjes, en zwierden
En klapten en tierden,
En rukten
En plukten.
En droegen en draafden,
En poetsten en schaafden….
Geen stervling was nog bijdehand,
En toch was ‘t dagwerk reeds… aan kant.

De timmerliên dachten aan hamer noch boor,
Zij brachten hun’ tijd op de schaafkrullen door
Dan kwam de bedrijvige geestenschaar
En keek, of er niets te bedisselen waar’,
En greep inderijl
Naar beitel en bijl;
Zij zaagden en staken
En hieuwen en braken,
En schrapten
En kapten,
En loerden , als valken ,
Bij ‘t leggen der balken.
En, vóór de baas iets werd gewaar.
Stond huis of schuur reeds . .. kant en klaar.

Den bakker viel waarlijk zijn taak ook niet zwaar.
Hij rookte zijn pijpjen, en ‘t brood werd toch gaar;
Hoe minder de hand uit de mouw werd gestoken,
Hoe meer kwamen ‘s nachts er de dwergen spoken
En vulden den trog
Met boekweit of rog;
Zij kneedden het heerlijk
En wogen het eerlijk.
En schoven
‘t In d’ oven.
En veegden en bakten
En klopten en hakten. —
‘t Lag alles vreedzaam nog te bed,
En ‘t brood was reeds voor ‘t raam gezet.

In ‘t slachthuis kwam alles ook ‘maklijk terecht:
De slager sliep rustig met jongen en knecht;
Dan kwamen ze loopen in driftigen draf.
De ventjes, — en hakten het varken af:

Dat ging zoo gezwind
Als ‘t kaf voor den wind;
Deez’ hieuwen met bijlen,
Die sneden de spijlen,
Of spoelden
En woelden
En mengden en stookten
En stopten en kookten.
En, eer de slager was ontwaakt.
Was al de worst reeds .. . aangehaakt.

In ‘t wijnhuis ging ‘t net zoo: de waard dronk zich vol.
Totdat hij in slaap viel met suizenden bol.
En, was hij onder zeil, dan kwamen
De dwergjes ongemerkt en namen
Het okshoofd met spoed
Doorzwavelden ‘t goed,
En gingen aan ‘t rollen
Naar haak en katrollen,
En zwaaiden
En draaiden
En goten en gutsten
En sloegen en klutsten:
De hospes sliep nog, en het vat
Was reeds gevuld met edel nat.

Een kleermaker zat eens geducht in het zweet:
De rok van den schout kon bijtijds niet gereed;
Hij smeet ter zij het achtbaar rokje
En dommelde in bij menig slokje.
Daar sprongen ze, hop!
De werktafel op.
En knipten en prikten
En naaiden en stikten.
En pasten
En laschten.

En plooiden en keken,
En plozen en streken ,
En ‘t staatsiekleed van Burgervadr
Was, eer de baas ontwaakte … klaar.

Maar zie, wat gebeurt er? De kleermakersvrouw
Zet, al te nieuwsgierig, wat vreemds op het touw:
Met erwten bestrooit zij den vloer en de trap.
Daar kwamen de ventjes met zachten stap
En merkten te laat
Het snoode verraad;
Zij glipten en gleden
Om ‘t hardst naar beneden;
Deez’ tierden
En gierden;
Die bromden en scholden.
Terwijl ze nog rolden.
De vrouw kwam lichten bij ‘t gerucht.
En pst, pst, pst! ze zijn gevlucht.
Nu zijn ze verdwenen: o wee, wat een spijt!
Wij zijn de kabouters voor altoos nu kwijt;
Die gouden eeuw is ons ontvaren;
Thans moet een ieder ‘t zijne klaren
En dragen zijn pak.
Naar nering en vak,
En krabben en schaven
En sjouwen en draven,
En tooien
En plooien ,
En kloppen en hakken
En koken en bakken.
Ach, was ‘t nog alles, als weleer!
Maar — zulk een tijd komt nimmer weer!